LERARENGIDS LERAREN TRAINERS AKTIVITATEN RESULTATEN FEEDBACK LERAREN TEACHING TO MAKE A DIFFERENCE OMHOOG
DOCENTENHANDLEIDING

Docenten die de website www.teachers.nl of een van de bijbehorende modules willen gebruiken, worden geadviseerd allereerst de handleiding te lezen. In deze handleiding:
∑ worden de doelen van het project uitgelegd en wordt uiteengezet hoe deze website gebruikt moet worden
∑ worden handige tips en suggesties gegeven over de modules op deze website (Op welke wijze en wanneer kunnen de modules gebruikt worden?)
∑ wordt het belang van internet voor dit project uitgelegd

De basis van deze website bestaat uit 12 modules die op dit moment ontwikkeld worden. Het project zal in de zomer van 2001 afgerond zijn.

Een steuntje in de rug
Docenten kunnen een belangrijke rol spelen in het leven van leerlingen. Zeker wanneer zij leerlingen serieus nemen en luisteren naar wat leerlingen over zichzelf en de wereld om hen heen te zeggen hebben. De modules op de website zijn gericht op de interesses van jongeren en kunnen leerlingen extra motiveren.

Waar men op moet letten?
In de modules worden gevoelige en controversiŽle onderwerpen behandeld. Dit kan leiden tot sterke gevoelens en tot heftige discussies die soms emotioneel kunnen worden. Voordat docenten beginnen met Teaching to Make a Difference moeten zij enige ervaring hebben in het omgaan met onderwerpen die uiteenlopende emoties kunnen oproepen.

Belangrijk is ook dat docenten zich realiseren dat zij niet alle problemen van hun leerlingen kunnen oplossen. In sommige gevallen zijn de problemen van een leerling zo groot, dat de professionals het werk van de docent moeten overnemen. Niet alles is de taak van de docent. Docenten zijn tenslotte geen therapeuten.

TALEN OVER ONDERWIJSMIDDELEN SCHOLEN LEERKRACHT MODULEN FEEDBACK ONDERZOEK HOME
De leerdoelen van dit project

De belangrijkste leerdoelen van dit project zijn:
∑ Methodes en inhoud op zo'n manier integreren dat zij inzicht geven in onderwerpen zoals tolerantie en intolerantie en tegelijkertijd begrip en samenwerking bevorderen.
∑ Leerlingen helpen in het maken van verbanden tussen het verleden en het heden.
∑ Aandacht schenken aan onderwerpen die jongeren van vandaag de dag bezig houden, zowel in de klas als daarbuiten.
∑ Leerlingen laten reflecteren en discussiŽren over rechten en verantwoordelijkheden die jongeren tegenwoordig hebben, zowel in de klas, op school als daarbuiten.
∑ Docenten handvaten geven om van hun klaslokaal een "learning laboratory" te maken, waar alle leerlingen zich veilig voelen om hun ideeŽn en gevoelens te uiten.
∑ Docenten oefeningen aanreiken die hen kunnen helpen controversiŽle onderwerpen bespreekbaar te maken.
∑ Docenten bruikbare oefeningen aan te bieden die hen helpen internet op een doordachte en effectieve manier in de klas te gebruiken

Bijna alle modules zijn ontwikkeld voor direct gebruik in de klas. De modules zijn allemaal getest (in ItaliŽ en Portugal) om te controleren of ze concreet genoeg zijn in lessituaties.

Doelgroep

Teaching to Make a Difference is speciaal ontwikkeld voor docenten die les geven aan leerlingen in de leeftijdsgroep 12 tot 15 jaar. Toch zijn veel van de modules ook geschikt voor iets oudere of jongere kinderen.

Hoewel de modules op deze website hoofdzakelijk bedoeld zijn voor Europese docenten zijn ze ook bruikbaar voor docenten uit andere werelddelen. Veel van de websites die in de modules worden genoemd, zijn bijvoorbeeld afkomstig uit de Verenigde Staten.

De modules zijn vooral geschikt voor docenten die lesgeven aan groep 8 op de basisschool en docenten maatschappijleer op middelbare scholen. Sommige modules zijn speciaal ontwikkeld voor geschiedenis -en taaldocenten.

De modules, de docentensectie en de leerlingensectie

De 12 modules vormen de basis van deze website. De modules richten zich op een verscheidenheid aan thema's die te maken hebben met tolerantie en intolerantie in het verleden en in de samenleving van vandaag de dag. Onderwerpen zoals pesten, racisme, meertaligheid en nationalisme zijn zaken die jongeren in heel Europa bezig houden.

De docentensectie is een plek waar docenten met elkaar over de modules kunnen communiceren en ideeŽn kunnen uitwisselen. Docenten kunnen bijvoorbeeld handige aanpassingen en tips over de modules aan elkaar doorgeven. Ook kunnen ze aan elkaar de laatste nieuwe websites doorgeven dat als bronnenmateriaal gebruikt kan worden.

Het bronnengedeelte van de docentensectie zal regelmatig ge-update worden met nieuwe krantenartikelen, briefkaarten, artikelen, etc. Deze kunnen gebruikt worden bij onderwijsleergesprekken met de klas. Tevens zijn in de docentensectie verschillende onderzoekslinks te vinden die docenten de mogelijkheid geven ook andere websites te bekijken die geschikt zijn voor de klas.

In navolging van de docentensectie is er ook een leerlingensectie. Hier is ruimte voor leerlingen om met elkaar te communiceren over het project. Zij kunnen op deze plek overleggen over hun gezamenlijke projecten, de opzet en de uitvoering daarvan.

Theoretische achtergrond
(Gedeeltes van deze tekst zijn geschreven in samenwerking met Pieter Batelaan)

Leren op school is gericht op:
- Het aanleren en ontwikkelen van vaardigheden (motorieke vaardigheden, het gebruiken van computers, lezen, schrijven, communiceren, samenwerken, reflecteren, etc.)
- Het verwerven van kennis (feitenkennis, kennis van procedures en strategieŽn etc.) ∑
- Het verkrijgen van inzicht (Wij spreken van inzicht wanneer leerlingen in staat zijn nieuwe kennis toe te passen op nieuwe situaties en wanneer zij in staat zijn nieuw verworven kennis te verbinden aan bestaande kennis.) ∑
- Het ontwikkelen van een attitude (Wij spreken van een attitude wanneer een eigen visie van invloed is op iemands handelen. Een voorbeeld is dat iemand initiatief en verantwoordelijkheid durft en kan nemen).

Er zijn vele manieren om te leren. Maar sommige manieren zijn effectiever dan anderen. Iemand zal bijvoorbeeld bepaalde vaardigheden sneller leren door "leren door te doen" dan door te luisteren naar een lezing of door te lezen. Intellectuele vaardigheden, zoals samenwerken, communiceren en leren worden het beste aangeleerd door "te doen" en door te reflecteren op deze handelingen (ook door het uitwisselen van elkaars ervaringen). Voorbeelden van leeractiviteiten die leiden tot een beter inzicht zijn: luisteren, lezen, observeren, discussiŽren, experimenteren (alleen of samen) en het voorbereiden en uitvoeren van een presentatie (alleen of samen). Onderzoek heeft aangetoond dat activiteiten, zoals "discussiŽren met elkaar", samen problemen oplossen, samen experimenteren en reflecteren op dit proces en samen een presentatie voorbereiden en uitvoeren effectievere leermethodes zijn (en leiden tot meer inzicht) dan luisteren, lezen en observeren. Met andere woorden: interactie bevordert leren.

De modules in Teaching to Make a Difference gebruiken en bouwen voort op reeds bestaande ervaringen van leerlingen. De culturele en individuele ervaringen van leerlingen kunnen gezien worden als een middel om:
- leerlingen vertrouwen te geven om deel te nemen in leeractiviteiten
- leerlingen te helpen elkaar beter te begrijpen
- ze inzicht te geven in andere culturen, denkbeelden en tradities
- een klimaat in de klas te creŽren waar de behoeftes en ideeŽn van leerlingen worden gerespecteerd en deze gebruikt kunnen worden als hulpmiddelen tot leren ∑
- leerlingen te motiveren die anders nog al eens over het hoofd worden gezien

De belangrijkste theoretische ideeŽn waarop "Teaching to Make a Difference" is gebaseerd zijn verbonden met het intercultureel onderwijs, coŲperatief leren en meervoudige intelligenties (oftewel meervoudige vaardigheden).

In het intercultureel onderwijs wordt veel gebruik gemaakt van leermethodes, zoals "leren door te doen" en "leren te doen" en is tevens erg leerling-gericht. Deze aanpak vereist dat leerlingen geleerd krijgen en bewust worden dat zij zelf verantwoordelijk zijn voor hun eigen leren. Belangrijk is vooral de interactie die plaats vindt tussen individuen en groepen. Hoe gaan leerlingen met elkaar om? Hoe onderhandelen zij? Hoe maken zij beslissingen? Hoe lossen zij problemen op? Etc. Leerlingen begeleiden in dit proces is even belangrijk als het uiteindelijke cijfer dat leerlingen aan het einde van het schooljaar halen.

In coŲperatief leren moeten de leerlingen samenwerken om met elkaar problemen op te lossen en opdrachten te maken. In plaats van een hoorcollege waarbij alle kennis van de docent afkomstig is en de leerlingen zo veel mogelijk kennis opnemen, werken de leerlingen in kleine groepen samen en delen elkaars inzichten en kennis. Hoewel een lezing van tijd tot tijd een bruikbare manier van kennisoverdracht kan zijn, zijn alle modules voor Teaching to Make a Difference ontwikkeld met coŲperatief leren als uitgangspunt.

De belangrijkste argumenten om coŲperatief leren in lessen te implementeren zijn: ∑
- door methodes van coŲperatief leren in lessen te implementeren worden sociale vaardigheden ontwikkeld, zoals samenwerken, actief deelnemen, communiceren en het nemen van verantwoordelijkheid ∑
- coŲperatief leren is een effectieve manier om cognitieve doelen te bereiken

CoŲperatief leren houdt meer in dan het plaatsen van leerlingen in kleine groepen en vervolgens leerlingen vragen een opdracht te maken. Wanneer het groepswerk tot dit beperkt blijft dan kan het zelfs counterproductief werken. Met name bij zwakkere leerlingen kan dit negatief uitpakken, omdat de sterke leerlingen zullen domineren in het groepsproces (praten, initiatief nemen, leiden, beslissingen nemen, onderbreken, bemoeien, etc.). Interactie tussen groepsleden kan pas leiden tot effectief leren, wanneer iedereen op een actieve en zinvolle manier deelneemt aan het proces. Groepswerk is pas coŲperatief leren, wanneer het zo is georganiseerd dat alle leerlingen deelnemen aan het proces. In de opdrachten in Teaching to Make a Difference wordt aan deze voorwaarde voldaan.

Deelname in groepswerk wordt beÔnvloed door:
1. organisatie
2. inhoud
3. deelnemers
4. het niveau van uitdaging

Organisatie verwijst naar de samenstelling van de groepen, rangschikking van het meubilair in de klas en de verdeling van de taken en de verantwoordelijkheden. Voor het samenstellen van een groep geven wij de volgende richtlijnen:
1. De docent verdeelt de kinderen in verschillende groepen. Dit voorkomt het buitensluiten van minder populaire kinderen. Leerlingen zullen dit in het begin niet leuk vinden, omdat zij graag bij vrienden in de groep willen zitten. Leg uit dat alle leerlingen iets bijdragen in het leerproces en dat het daarom belangrijk is dat zij met iedereen leren samen te werken.
2. De samenstelling van de groep wordt van tijd tot tijd veranderd om te voorkomen dat iedereen vanuit vaste rollen gaat werken.
3. De samenstelling van de groep moet zo heterogeen mogelijk zijn, zodat de leerlingen kunnen profiteren van de verschillende aanwezige talenten in hun groep.
4. Taken en verantwoordelijkheden moeten duidelijk zijn. De docent wijst de taken aan de leerlingen toe of onderhandelt hierover met de leerlingen.
5. Taken en verantwoordelijkheden moeten van tijd tot tijd doorgegeven worden aan andere leerlingen.
6. De taken moeten voor alle leerlingen uitdagend zijn.

De inhoud verwijst naar het onderwerp (deze moet voor de leerlingen interessant en bruikbaar zijn) en de opdrachten (open vragen, opdrachten die individuele deelname en samenwerking vereisen). De opdrachten moeten ook "breed" zijn: zij moeten de verschillende leervaardigheden van het kind stimuleren. Wij hebben hier te maken met de verwachtingen van de docent, maar ook met de verwachtingen die leerlingen van elkaar hebben.

Het gebruik van coŲperatief leren in de klas heeft gevolgen voor de rol van docent. Wanneer de leeractiviteit luisteren, lezen of observeren is dan is de docent hoofdzakelijk bezig met uitleggen, vertellen, het samen lezen van teksten, het geven van opdrachten, het tonen van video's en (soms) het organiseren van excursies. Wanneer leeractiviteiten discussie, groepsonderzoek, experimenteren en presenteren zijn dan moet de docent over andere vaardigheden beschikken, zoals organiseren, het leiden van een discussie (de juiste vragen aan leerlingen stellen die leiden tot een beter inzicht), observeren, monitoren, evalueren en feedback geven. Wanneer een docent gebruik wil maken van informatie technologie (IT) dan zijn er nog meer vaardigheden waarover een docent moet beschikken. Wij zullen hier later in de tekst op terug komen.

De Amerikaanse psycholoog Howard Gardner heeft een zeer bruikbare theorie ontwikkeld over "meervoudige intelligenties" (Gardner, 1993) (www.scholasticnetwork.com/library/teacen/mi.htm). In deze theorie bespreekt hij de vele vormen van intelligenties die mensen hebben. Educatieve opdrachten zijn het meest effectief wanneer meerdere van deze intelligenties worden gestimuleerd. De verschillende intelligenties die Gardner onderscheid zijn:
1. LinguÔstisch (het vermogen om creatief met taal om te gaan, zowel mondeling als geschreven)
2. Logisch - mathematisch (vb: effectief met cijfers kunnen werken en goed kunnen redeneren)
3. Ruimtelijk (vb: het hebben van een visueel- ruimtelijk inzicht en kunnen werken met vormen en ontwerpen)
4. Lichamelijk - kinesthetisch (vb: in staat zijn om situaties, gebeurtenissen, ideeŽn en gevoelens uit te drukken met je lichaam en met je handen dingen te produceren en te transformeren)
5. Muzikaal (vb: in staat zijn muziekvormen te begrijpen, na te spelen, uit te drukken en te transformeren)
6. Sociaal (vb: het vermogen om stemmingen, intenties en gevoelens van anderen te herkennen; op een betekenisvolle en constructieve manier met mensen om kunnen gaan en met mensen mee kunnen leven)
7. Inzichtelijk (vb: het hebben van zelfkennis en het kunnen reflecteren op eigen handelingen en in staat zijn daarin de nodige veranderingen en aanpassingen aan te kunnen brengen)
8. Biologisch (vb: het vermogen om patronen en objecten in de natuur te herkennen)

Sommige onderwijskundigen (zoals Cohen & Lotan, 1997) spreken liever van meervoudige vaardigheden en meervoudige leervaardigheden in plaats van meervoudige intelligenties. Te vaak wordt bij intelligentie gedacht aan iets dat statisch is en moeilijk te veranderen is (zoals een IQ). Door de term vaardigheid te gebruiken wordt de aandacht meer gelegd op inzicht, processen en gedrag dat aangeleerd kan worden.

In de modules van Teaching to Make a Difference is rekening gehouden met meervoudige intelligenties. Geprobeerd is zoveel mogelijk intelligenties onder leerlingen aan te spreken en te activeren.

Teaching to Make a Difference, internet en coŲperatief leren

Wanneer men aan "interactie" in het computeronderwijs denkt dan denkt men vaak alleen aan de interactie tussen de computer en de persoon achter de computer. Een persoon voert opdrachten uit die door de computer worden gegeven en worden gecontroleerd.

In enkele recente onderzoeken is gesuggereerd dat wij jongeren zouden isoleren door ze simpelweg achter computers te zetten. Eťn artikel had zelfs de titel "Too much time online makes more people go offline in real life". Het is waar dat gebruik van computers en internet een negatief effect kunnen hebben op sociale vaardigheden. Althans wanneer deze niet op een juiste wijze worden gebruikt. Het onderwijsklimaat moet daarom ervoor zorgen dat sociale interactie, ůůk bij computeronderwijs, wordt gestimuleerd.

In de computeropdrachten in Teaching to Make a Difference wordt met interactie meer bedoeld dan alleen de relatie computer - individu. Ten eerste geldt in het algemeen dat de opdrachten alleen gemaakt kunnen worden, wanneer de leerlingen samenwerken. Ten tweede moeten de resultaten aan de klas worden gepresenteerd (of zij moeten op internet communiceren met leerlingen van andere scholen over de hele wereld). Ten derde geeft het gebruik van de computer verschillende "inputs" aan het leerproces. Ten vierde bestaat de mogelijkheid de resultaten van de opdrachten te presenteren op internet. Tenslotte zullen de leerlingen ook met elkaar moeten discussiŽren over ontstane problemen, deze problemen moeten oplossen en de oplossingen moeten uitleggen aan de klas. Dit is misschien nog wel het meest effectieve onderdeel in het leerproces.

Wanneer de computer als leermiddel wordt gebruikt heeft dit een aantal gevolgen voor de klas.

Organisatie


Voor veel opdrachten in Teaching to Make a Difference moeten de leerlingen in groepen van 3 tot 5 personen werken en over een computer kunnen beschikken. De opdrachten kunnen alleen gemaakt worden wanneer de groepsleden met elkaar samenwerken.

Materiaal

Behalve een computer met internetaansluiting moet er ook voldoende ander materiaal zijn, zoals potloden, papier, karton, plaksel, schaar, muziekinstrumenten, lakens en verkleedkleren. Ook moeten de leerlingen toegang hebben tot een bibliotheek of een mediatheek. Aan het begin van elke module wordt aangegeven welk materiaal nodig is voor de opdrachten. Verder is het handig wanneer een printer voorhanden is, zodat leerlingen informatie kunnen uitprinten. Niet iedereen hoeft dan de informatie vanaf het computerscherm te lezen. Terwijl sommige leerlingen achter de computer zitten om informatie te zoeken, kunnen andere leerlingen de prints bestuderen en werken aan de opdracht.

Rol van de docent

Traditioneel gezien is het de docent die de kennis doorgeeft. Hij/ zij is de belangrijkste bron van informatie. Veel van de opdrachten uit Teaching to Make a Difference laat leerlingen de informatie op internet en de website www.teachers.nl opzoeken. Dit geeft de docent de ruimte om te observeren hoe het leerproces onder de leerlingen verloopt. Hij/ zij kan de leerlingen bijsturen, monitoren en bijhouden hoe ver ze zijn met de opdrachten. Binnen het framewerk van Teaching to Make a Difference gaan wij ervan uit dat de docent de volgende rollen heeft:

1. Organisator en manager. De docent is verantwoordelijk voor het samenstellen van de groepen en de verdeling van de taken. Vervolgens laat hij de verantwoordelijkheid aan de groepen over. Met andere woorden, de docent zorgt ervoor dat iedereen zich aan zijn/ haar rol houdt. De computer is vaak de "prize possession" in de klas. Hoewel de leerling met de rol van organisator de verantwoordelijkheid heeft over het gebruik van de computer, moet de docent in de gaten houden of de computer op een juiste en eerlijke wijze gebruikt wordt.

2. Katalysator. De docent is verantwoordelijk groepen te helpen die vast komen te zitten of slecht samenwerken. Wanneer moeilijke vragen zich opdoen, is het niet de bedoeling dat de docent meteen het antwoord geeft. Door de juiste vragen te stellen moet de groep zelf weer op het juiste spoor komen. De achterliggende gedachte is leerlingen probleemoplossende vaardigheden aan te leren en niet hun problemen op te lossen.

3. Observeerder (de groepen controleren). Voor de uitvoering van de modulen uit Teaching to Make a Difference is het belangrijk dat de docent reageert op wat de groepen en individuele leerlingen goed doen. Dit betekent dat zij goed moeten opletten wat zich in elke groep afspeelt.

4. Monitor (leerlingen begeleiden in hun deelname en vooruitgang)

5. Beoordelaar (het inschatten van het niveau, het beoordelen van de inhoud, methodes en proces, zelfinzicht van de leerlingen bevorderen, feedback geven)

De docent observeert de leerlingen goed tijdens het groepswerk en de presentaties en reageert vervolgens op het gedrag van de leerlingen. Belangrijk is dat de feedback concreet is en gebaseerd is op een beschrijving en evaluatie van wat is geobserveerd.

Toegewezen rollen van de leerlingen

In de meeste modules is het groepswerk georganiseerd aan de hand van rollen. Elke leerling krijgt een rol toegewezen. Deze rollen moeten de leerlingen helpen bepaalde vaardigheden te ontwikkelen en geeft de verantwoordelijkheid aan de leerlingen. Hier zijn enkele rollen die in de modules worden gebruikt:

A. Organisator: zorgt ervoor dat iedereen de opdracht begrijpt. Zorgt ervoor dat alle groepsleden deelnemen aan de opdracht. Roept de docent wanneer de groep problemen heeft. Zorgt ervoor dat alle groepsleden de hulp krijgen die zij nodig hebben.

B. Verslaggever: organiseert de presentatie van de groep voor de klas. Bespreekt met de groep de punten die zij willen presenteren en op welke wijze (de verslaggever hoeft niet te presenteren, maar moet de presentatie organiseren.)

C. Materiaalverzorger/ webbeheerder: verantwoordelijk voor het verzamelen van al het materiaal dat nodig is om de opdracht te maken. Is verantwoordelijk voor het werk op internet, emailcontact en het onderzoek.

D. Boodschapper: verantwoordelijk voor het halen van hulp en informatie van andere groepen, met name van soortgelijke teams op andere scholen via de chatroom op vastgestelde tijden.

E. Sfeercontroleur: zorgt ervoor dat de communicatie tussen de groepsleden goed verloopt en dat de sfeer in de groep goed is. Zorgt ervoor dat niemand beledigd wordt of dat op iemand wordt neer gekeken.

Het is handig om de omschrijvingen van de verschillende rollen op het bord te schrijven of op een poster op de muur te hangen.

Bronnen die voor deze docentenhandleiding zijn gebruikt

Cohen, R., & Lotan, R. (Eds) (1997) Working for Equity in Heterogeneous Classrooms: Sociological Theory in Practice. New York: Teachers College Press.

Gardner, H. (1993) Multiple Intelligences: The Theory in Practice. New York: Basic Books
OVER HET PROJECT MIDDELEN SCHOLEN LEERKRACHT MODULEN FEEDBACK ONDERZOEK